bok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[1] bokje
Uitspraak
Woordafbreking
  • bok
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘mannetje van de geit’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord bok bokken
verkleinwoord bokje bokjes

Zelfstandig naamwoord

bok m

  1. (zoogdieren) een mannelijke geit
  2. een toestel bij het turnen
  3. een mennerszitplaats bij een rijtuig, plaats waar de machinist zit in een trein of tram
  4. een platform waarop een dirigent voor het orkest staat
  5. een zware hijskraan
  6. een ondersteuning waarop zware toestellen kunnen geplaatst worden
  7. (spel) een speelsteen bij het sjoelen die boven op een andere belandt of anderszins niet vlak op de ondergrond van de bak blijft liggen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: een bok schieten
een stommiteit begaan, een flater slaan
  • [1]: als een bok op een haverkist
ergens (te) snel op reageren
  • [1]: een geile bok
iemand die erg op seks belust is
Vertalingen

Tussenwerpsel

bok

  1. een uitroep aan het eind van een zin als iemand met z'n mond vol tanden staat

Werkwoord

vervoeging van
bokken

bok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bokken
    • Ik bok. 
  2. gebiedende wijs van bokken
    • Bok! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bokken
    • Bok je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Nederlandse bok

Zelfstandig naamwoord

bok

  1. (dierkunde) bok; geitachtigen
  2. (dierkunde) antilope
  3. bok; een toestel bij het turnen
Synoniemen
  1. wildsbok


Nedersorbisch

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Proto-Slavische *bokъ

Zelfstandig naamwoord

bok m

  1. kant, zijde
  2. pagina, bladzijde
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • lěwy bok m – linker kant
  • pšawy bok m – rechter kant
  • spódny bok m – onderkant
  • internetowy bok m – internetpagina
  • zwjerchny bok m – bovenkant


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • bok
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord bók
Naar frequentie 1057
m/v
[A] + [B]
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   bok     m: boken
v: boka  
  bøker     bøkene  
genitief   boks     m: bokens
v: bokas  
  bøkers     bøkenes  

Zelfstandig naamwoord

[A] bok, m / v

  1. boek
    «Bibelen blir kalt bøkenes bok
    De Bijbel werd het boek van de boeken genoemd.
  2. boek (afgesloten deelgebied van een boek)
    «Det gamle testamente består av 39 bøker
    Het Oude Testament bestaat uit 39 boeken.
  3. boek voor inschrijvingen (notitieboek, dagboek)
  4. een boekachtig onderwerp (pocketboek)
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: lese, skrive, kjøpe en bok
een boek lezen, schrijven, kopen
  • [1]: Det er en lukket bok for meg.
Dit is onbekend / onbegrijpelijk voor mij.
Dat is abacadabra voor mij.
  • [1]: lese som en åpen bok
lezen als een open boek

Zelfstandig naamwoord

[B] bok, v/m

  1. (plantkunde) Fagus sylvatica op Wikispecies, beuk
  2. een beuken voorwerp
Schrijfwijzen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • bok
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord bók
[A] + [B] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   bok     boka     boker     bokene  

Zelfstandig naamwoord

[A] bok, v

  1. boek
  2. boek (afgesloten deelgebied van een boek)
  3. boek voor inschrijvingen (notitieboek, dagboek)
  4. een boekachtig onderwerp (pocketboek)
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: lese, skrive, kjøpe ei bok
een boek lezen, schrijven, kopen
  • [1]: Det er ei attlaten bok for meg.
Dit is onbekend / onbegrijpelijk voor mij.
Dat is abacadabra voor mij.
  • [1]: vere stø i boka
bijbelbekend zijn

Zelfstandig naamwoord

bok, v

  1. (plantkunde) Fagus sylvatica op Wikispecies, beuk
  2. een beuken voorwerp
Schrijfwijzen


Slowaaks

Uitspraak
Woordafbreking
  • bok

Zelfstandig naamwoord

bok m

  1. (anatomie) zij; één van beide kanten van een lichaam
  2. zijde, kant
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • ležať na pravom boku – op de rechter zij liggen


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • bok
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Proto-Slavische *bokъ

Zelfstandig naamwoord

bok monbezield

  1. (anatomie) zij; één van beide kanten van een lichaam
    «Stál po boku prezidenta republiky.»
    Hij stond aan de zijde van de president van de republiek.
  2. zijde, kant
    «Auto se převrátilo na bok
    De auto is op zijn kant gerold.
  3. (bij rundvlees) vang, (bij varkensvlees) varkensbuik, buikvlees
    «Dnes podávali plněný vepřový bok a brambory.»
    Vandaag werd gevulde varkensbuik en aardappelen geserveerd.
  4. helling
Verbuiging
Synoniemen
  1. strana v
  2. (bij varkensvlees) bůček monbezield
  3. úbočí o, stráň, svah monbezield
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • bok po bokuzij aan zij
  • po boku – aan de zijde
Verwante begrippen

Meer informatie

Zelfstandig naamwoord

bok

  1. genitief meervoud van boka


Zweeds

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

bok

  1. boek
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   bok     boken     böcker     böckerna  
genitief   boks     bokens     böckers     böckernas  

Zelfstandig naamwoord

bok

  1. (plantkunde) Fagus sylvatica op Wikispecies, beuk