geitje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(heteroniem)

Woordafbreking
  • [1] geit·je
  • [2] gei·tje

Zelfstandig naamwoord

geitje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord geit
  2. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord gei