gat

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gat
1-4 enkelvoud meervoud
naamwoord gat gaten
verkleinwoord gaatje gaatjes

Zelfstandig naamwoord

gat o

5 enkelvoud meervoud
naamwoord gat gatten
verkleinwoord gatje gatjes
  1. opening
    Een gat in de muur boren.
  2. overdrachtelijk: een tekort of ontbrekend deel
    Een gat in de begroting.
    Er zitten gaten in zijn verhaal.
  3. (meervoud) gaten: ogen
    In de gaten houden.
    In de gaten lopen.
  4. (verkleinwoord) gaatje: een geval van tandwolf
    De tandarts zei dat ik geen gaatjes had.
  5. (dim gatje) achterste
    Op z'n gatje zitten.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: een gat in zijn hand hebben
dwangmatig geld uitgeven
  • [1]: in een (zwart) gat vallen
niet meer weten wat te doen (na een drukke periode)
  • [2]: een gat in de markt
een vraag waar nog geen aanbod tegenover staat
  • [2]: in de gaten springen
de leemtes opvullen
  • [3]: iets in de gaten hebben
iets in het oog hebben
  • [3]: iets in de gaten houden
ergens op letten
  • [3]: in de gaten lopen
opvallen
  • [5]: geen zittend gat hebben
niet lang kunnen stilzitten
  • [5]: op zijn gat liggen
in een ellendige toestand verkeren
  • [5]: wie zijn gat brandt moet op de blaren zitten
de gevolgen van je daden zul je moeten verdragen
Vertalingen


Occitaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • gat
enkelvoud meervoud
gat gats

Zelfstandig naamwoord

gat m

  1. kat