get

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • get
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord get gitien (Hebreeuws)
getten (Jiddisj)
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

get v/m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) scheidingsakte
Verwijzingen
Vertalingen

Meer informatie


Bretons

Voorzetsel

get

  1. met


Engels

Uitspraak
Woordafbreking
  • get
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse werkwoord geta.
Naar frequentie 44
vervoeging
onbepaalde wijs to get
he/she/it gets
verleden tijd got
voltooid
deelwoord
[[got
gotten]]
onvoltooid
deelwoord
getting
gebiedende wijs get

Werkwoord

get

  1. krijgen
    «I got a new bike for Christmas.»
    Ik heb voor de Kerst een nieuwe fiets gekregen.
  2. worden
    «He got very angry.»
    Hij werd erg boos.
  3. hebben, bezitten
    «Have you got any money?»
    Heb je wat geld?
Afgeleide begrippen


Zweeds

Zelfstandig naamwoord

get g

  1. (zoogdieren) geit