dak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

dak met dakpannen
Uitspraak
Woordafbreking
  • dak
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bedekking van huis’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord dak daken
verkleinwoord dakje dakjes

Zelfstandig naamwoord

dak o

  1. (bouwkunde) het deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
    • Door de hevige storm stortte het dak in. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Uit z'n dak gaan
Zeer boos of zeer vrolijk worden.
  • iets op je dak krijgen
ergens de schuld van krijgen
  • iets van de daken schreeuwen
iets overal bekend maken
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Tussenwerpsel

dak

  1. (chattaal) oké, in orde [1]

Verwijzingen


Indonesisch

Bijwoord

dak

  1. schrijfwijze voor ndak (nee, niet)


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

dak

  1. dak