kap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kap
enkelvoud meervoud
naamwoord kap kappen
verkleinwoord kapje kapjes

Zelfstandig naamwoord

kap v/m

  1. bedekking ergens boven of overheen bijv. een lampenkap [1]
  2. een bedekking van het hoofd
    Gelijke monniken gelijke kappen.
  3. de afdekking van een gebouw
    De kap van de woning was aan reparatie toe.
  4. het vellen of omhakken van bomen [2]
    De houtkap in de tropen neemt zorgwekkende proporties aan.
  5. warmte isolatie voor het hoofd voor tijdens het duiken, onderdeel duikuitrusting
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kappen

kap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kappen
    Ik kap.
  2. gebiedende wijs van kappen
    Kap!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kappen
    Kap je?

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl


Hongaars

Uitspraak
  • IPA: /ˈkɒp/

Werkwoord

kap

  1. krijgen, ontvangen


Indonesisch

Woordafbreking
  • kap
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

kap

  1. kap