kap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kap
enkelvoud meervoud
naamwoord kap kappen
verkleinwoord kapje kapjes

Zelfstandig naamwoord

kap v/m

  1. bedekking ergens boven of overheen bijv. een lampenkap [1]
  2. een bedekking van het hoofd
    • Gelijke monniken gelijke kappen. 
  3. de afdekking van een gebouw
    • De kap van de woning was aan reparatie toe. 
  4. het vellen of omhakken van bomen [2]
    • De houtkap in de tropen neemt zorgwekkende proporties aan. 
  5. warmte isolatie voor het hoofd voor tijdens het duiken, onderdeel duikuitrusting
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kappen

kap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kappen
    • Ik kap. 
  2. gebiedende wijs van kappen
    • Kap! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kappen
    • Kap je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Hongaars

Uitspraak

Werkwoord

kap

  1. krijgen, ontvangen


Indonesisch

Woordafbreking
  • kap
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

kap

  1. kap