dakhaas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dak·haas
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dakhaas dakhazen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

dakhaas m

  1. iemand die veel op het dak is, een dakdekker
  2. (schertsend) kat (al dan niet bestemd voor de maaltijd)

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
36 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen