dakbalk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

dakbalken
Uitspraak
Woordafbreking
  • dak·balk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dakbalk dakbalken
verkleinwoord dakbalkje dakbalkjes

Zelfstandig naamwoord

dakbalk m

  1. balk die een deel is van de draagconstructie van een dak
    • Ze wijst op het gat in het dak, dat provisorisch is gerepareerd, en op de vloer waar de vrouw heeft gelegen. Tipoenova laat een dikke dakbalk zien die doormidden is gebroken. [1] 
    • De tentoonstelling heet Unsubscribe (afmelden) en bestaat uit onder meer dakbalken, bakstenen, handpoppen en nationalistische literatuur. De overblijfselen van het ouderlijk huis van Goebbels (geboren in 1897) worden de „stille getuigen van de geschiedenis” genoemd. Op een filmpje is te zien hoe het gebouw werd gestript. [2] 
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen