dakschild

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

schilddak met 4 dakschildendakschild
Uitspraak
Woordafbreking
  • dak·schild
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dakschild dakschilden
verkleinwoord dakschildje dakschildjes

Zelfstandig naamwoord

dakschild o [1]

  1. elk der hellende vlakken in een dak die samen de dakvorm bepalen
    • Holset nr. 96. Hoeve Winnebroek, gelegen aan de zuidkant van de Vijlenerweg wordt in 1735 vermeld als deel van de heerlijkheid Vaalsbroek (Oppenhoff, blz. 40). Drie losse gebouwen van vakwerk, xviii-xix; het woonhuis met zadeldak tussen eindgevels van baksteen aan de achterkant van de open plaats, aan weerskanten waarvan schuren die zijn afgedekt met schilddaken; breukstenen sokkels en vullingen van baksteen; tegen de noordelijke eindgevel van het woonhuis een aanbouw van vakwerk met schilddak; beide schuren met buitenwaartse uitbouw onder doorgetrokken dakschild (afb. 22). [2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
70 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen