ban

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ban
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘afkondiging, uitsluiting’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 995 [1]
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘betovering’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1898 [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord ban bannen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ban v/m [3]

  1. (juridisch) (verouderd) het rechtsgebied van een bepaalde stad
  2. (religie) in de ~ doen uitsluiten van de kerkgemeenschap
    • De paus trachtte de keizer in de ban te doen en zo ontstond er een conflict. 
  3. in de ban zijn van: het dwangmatig door iets of iemand gebonden zijn
    • Het hele land is in de ban van de voetbalwedstrijden 
    • In de ban van de ring is een bekend boek. 
  4. een titel voor een landvoogd [4]
  5. (verouderd) oproep


Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bannen

ban

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bannen
    • Ik ban. 
  2. gebiedende wijs van bannen
    • Ban! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bannen
    • Ban je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Angelsaksisch

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

ban o

  1. bot


Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to ban
he/she/it bans
verleden tijd banned
voltooid
deelwoord
banned
onvoltooid
deelwoord
banning
gebiedende wijs ban

Werkwoord

ban

  1. uitbannen, verbannen, bannen


Twi

Zelfstandig naamwoord

ban

  1. hek


Wolof

Uitspraak

Vragend voornaamwoord

ban

  1. welk?

Zelfstandig naamwoord

ban

  1. modder, klei

Werkwoord

ban

  1. believen, plezier doen