Naar inhoud springen

ban

Uit WikiWoordenboek
  • ban
enkelvoud meervoud
naamwoord ban bannen
verkleinwoord - -

debanm

  1. (juridisch) straf in de vorm van een verbod om in een bepaald gebied te zijn
  2. (religie) (rooms-katholiek) uitsluiting uit de kerkgemeenschap
  3. (juridisch) (historisch) rechtsgebied van een bepaalde stad
  4. officiële afkondiging
  5. (verouderd) oproep
  6. magisch lijkende invloed
  7. (historisch) titel voor landvoogden in Zuidoost-Europa

[1]

  • in de ban doen
verbieden, afwijzen
 De regering heeft roken in de ban gedaan. 

[2]

  • in de ban doen
uitsluiten van de kerkgemeenschap
 De paus trachtte de keizer in de ban te doen en zo ontstond er een conflict. 

[6]

  • in de ban van
dwangmatig geïnteresseerd in of beheerst/geobsedeerd door
 Het hele land is in de ban van de voetbalwedstrijden 
 In de ban van de ring is een bekend boek. 
 Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje en nog geen jaar later was het hele land in de ban van het schandaal en verdeeld in verschillende kampen: je had de groep die het voor Meskini opnam, en je had de groep, en dit was erg spijtig voor de arme gedaagde, die er heilig van overtuigd was dat de taxichauffeur schuldig was.[4]
vervoeging van
bannen

ban

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bannen
    • Ik ban. 
  2. gebiedende wijs van bannen
    • Ban! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bannen
    • Ban je? 
97 %van de Nederlanders;
95 %van de Vlamingen.[5]
  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.


ban o

  1. (anatomie)  bot zn  [3]


vervoeging
onbepaalde wijs to  ban 
he/she/it  bans 
verleden tijd  banned 
voltooid
deelwoord
 banned 
onvoltooid
deelwoord
 banning 
gebiedende wijs  ban 

ban

  1. overgankelijk bannen, in de ban doen, uitbannen, verbannen
enkelvoud meervoud
ban bans

ban

  1. ban, uitbanning verbanning
  2. verbod

ban

  1. hek

ban

  1. welk?

ban

  1. modder, klei

ban

  1. believen, plezier doen