daak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Daak langs de Bathpolder, Zeeland

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • veek
Woordherkomst en -opbouw
  • Komt vooral voor in de omgeving van Giethoorn [1]

Zelfstandig naamwoord

daak o

  1. (waterbeheer) drijvend afval op het water
      De wind heeft dat drijvend afval bij elkaar gejaagd en het hoge water heeft het in grote massa's hier en daar neergesmeten en achtergelaten, dat is het daak, waarop de snippen in September hun voedsel komen zoeken, waar in de zomer de woerden in grote aantallen vergaderen en societeit houden, waar de al vlugge jonge kiekendieven op hun ouders wachten, die op prooi uit zijn. Dat daak ziet dan 's zomers ook vaak wit van de uitwerpselen.[2]
Synoniemen

Gangbaarheid

Meer informatie


Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

daak o

  1. (Hooglimburgs) dak
Verbuiging
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 4-1-2022 Weblink bron J.I. van Schaick “'t Kampereiland” (1939), Kok op Wikipedia, p. 84