dakdekker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Rietdekker aan het werk
Uitspraak
Woordafbreking
  • dak·dek·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dakdekker dakdekkers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dakdekker m [1]

  1. (beroep) iemand die dakconstructies plaatst; en dan met name de rietdekkers
    • In april kondigden het kabinet en het bedrijfsleven ‘een offensief’ af om zoveel mogelijk mensen te verleiden in de technische sector te gaan of te blijven werken. Volgens de laatste berekeningen loopt het tekort aan technisch personeel de komende vier jaar op tot 170.000 arbeidsplaatsen, vooral als gevolg van de vergrijzing. Het gaat onder meer om beroepen als dakdekker, storingsmonteur en bankwerker.[2] 
    • Nederland past zich aan. We klikken naar websites over het weer om te zien wanneer we gaan fietsen. De website www.buienradar.nl trekt in de zomer traditioneel veel bezoekers. Directeur Niels de Kind: „Een slechte zomer is voor ons gunstig. Juist de wisselvalligheid van het weer maakt dat mensen informatie willen. Mensen die in eigen land op vakantie zijn, maar ook boeren, schilders en dakdekkers.” Gemiddeld trekt de website ongeveer vijf miljoen bezoekers per maand. Zo sukkelen we de zomer door. En zeggen tegen elkaar dat het morgen beter wordt. Piet Paulusma: „Volgende week komt er mooier weer. Ik verwacht nog een aantal leuke stranddagen. Het wordt beter.”[3]  
Synoniemen
Hyponiemen
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Mark Hoogstad 10 juli 2012
  3. NRC Arjen Schreuder 11 augustus 2011