afdak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·dak
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Duits abdach [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord afdak afdaken
verkleinwoord afdakje afdakjes

Zelfstandig naamwoord

afdak o

  1. een schuin van een gebouw uitstekend stuk dak dat beschutting verleent aan de buitenmuur
    • Het gaat regenen; laten we even onder het afdakje gaan staan. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen