dakkapel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

dakkapel
Uitspraak
Woordafbreking
  • dak·ka·pel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dakkapel dakkapellen
verkleinwoord dakkapelletje dakkapelletjes

Zelfstandig naamwoord

dakkapel v/m

  1. een uitbouw van het schuine dakvlak
    • Een dakkapel geeft meer (loop)ruimte op zolder. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie