baspartij

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bas·par·tij
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord baspartij baspartijen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

baspartij v [1]

  1. (muziek) dat deel van een meerstemmig muziekstuk dat voor de bas is gecomponeerd
    • De Matthäus Passion wordt dit jaar twee keer opgevoerd in Twente: op vrijdag 15 april in de Plechelmusbasiliek in Oldenzaal en een dag later in het Muziekcentrum in Enschede. De solistenbezetting telt een aantal bekende namen met onder anderen Nico van der Meel. Hij neemt als altijd de rol van evangelist voor zijn rekening. Tyler Duncan zingt de baspartij. [2] 
    • Nog steeds zingt hij actief bij communies, begrafenissen, bruiloften en avondwaken. Maar in zijn huis niet. "Kerkzangers zijn geen straatzangers. Je bewaart je beste moment voor de kerk." Ros neemt in het kerkkoor de baspartij voor zijn rekening. "Staan lukt me tijdens de repetities echter niet meer, maar bij het optreden nog wel", vertelt Ros. "Dat hoort erbij." [3] 
    • Zo kunnen we nog oeverloos uitweiden over de handclaps in Eight Days a Week, de samenzang in I've Got A Feeling of de baspartij van McCartney in Rain - net opgenomen op een moment dat Paul eindelijk hoorde wat de voordelen waren van het rechtstreeks inpluggen van de Hoffnerbas in de opnameapparatuur. [4] 


Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
56 % van de Vlamingen.

Verwijzingen