bast

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
bast van een acacia [1]
bast [2]

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bast
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bast basten
verkleinwoord bastje bastjes

Zelfstandig naamwoord

bast m

  1. (plantkunde) buitenste laag van een boom, meestal het geheel van schors en aangroeilaag
    • De bast van een berk is wit. 
  2. (dierkunde) fluweelachtige huid rond een nieuw gewei
    • Nadat het gewei volgroeid is moet de bast er nog vanaf. 
  3. (volkstaal) lichaam: gisteren nog in blote bast op 't strand, nu alweer aan 't werk
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bassen

bast

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bassen
    • Jij bast. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bassen
    • Hij bast. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van bassen
    • Bast! 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
90 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen