-aar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Huidig
bestand
89
Woordafbreking
  • -aar
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Latijnse achtervoegsel -arius [1]

Achtervoegsel

-aar m [2]

  1. iemand die de handeling verricht van het genoemde woord (of ondergaat (?) zie martelaar en gijzelaar)
    Vormt mannelijke zelfstandige naamwoorden van werkwoorden, o.a. bij woorden die eindigen op een stomme e (sjwa) en een l, n of r.
    Duikelen → duikelaar.
    Beoefenen → beoefenaar.
    Kliederen → kliederaar.
    Leren → leraar.
  2. bewoner van de genoemde stad, dorp, streek, etc.
    Vormt mannelijke zelfstandige naamwoorden van geografische eigennamen, o.a.bij woorden die eindigen op een stomme e (sjwa) en een l of n.
    Brussel → Brusselaar.
    Leuven → Leuvenaar.
    Kosovo → Kosovaar.
Synoniemen
Hyponiemen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal