knipperen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- knip·pe·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| knipperen |
knipperde |
geknipperd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
knipperen
- (inergatief) snel openen en sluiten, met name van de ogen
- Het plotseling doorbrekende zonlicht deed de kinderen knipperen met de ogen.
- (inergatief) snel aan- en uitgaan van een licht
- Het rode lampje knipperde en hij kreeg een zinkend gevoel dat er iets mis was.