knipperen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knip·pe·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
knipperen
knipperde
geknipperd
zwak -d volledig

Werkwoord

knipperen

  1. (inergatief) snel openen en sluiten, met name van de ogen
    Het plotseling doorbrekende zonlicht deed de kinderen knipperen met de ogen.
  2. (inergatief) snel aan- en uitgaan van een licht
    Het rode lampje knipperde en hij kreeg een zinkend gevoel dat er iets mis was.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen