jammer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jam·mer
enkelvoud meervoud
naamwoord jammer jammeren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

jammer m

  1. jammerklacht, weeklagen
    -nog langer zal het lijden duren, nog hooger zal de jammer rijzen.[1]
stellend
onverbogen jammer
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

jammer

  1. alleen predicatief teleurstellend, spijtig
    Het is jammer dat hij niet kon komen.

Tussenwerpsel

jammer

  1. een uitroep van teleurstelling.
    Jammer! Ik had me erop verheugd.
  2. spottend, schijnheilig.
    Jammer dan! Had je maar moeten uitkijken!
Vertalingen

Bijwoord

jammer

  1. ~ genoeg druk betreurenswaardigheid uit.
    Van die taal hebben we jammer genoeg nog maar weinig woorden in het bestand.

Werkwoord

vervoeging van
jammeren

jammer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jammeren
    Ik jammer.
  2. gebiedende wijs van jammeren
    Jammer!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jammeren
    Jammer je?
Verwijzingen
  1. blz 143 Vaderlandsche letteroefeningen, Deel twee
    Ellerman, 1815


Afrikaans

stellend
jammer

Bijvoeglijk naamwoord

jammer

  1. ~ wees: spijten
    «Ek is verskriklik jammer, dit het my skoon ontgaan.»
    Het spijt me verschrikkelijk, dit is mij geheel ontgaan.