wonder
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- won·der
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | wonder | wonderen |
| verkleinwoord | wondertje | wondertjes |
wonder o
- een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt.
- Het was echt een wonder dat hij dat ongeluk overleefd heeft.
Vertalingen
1. een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt
Afrikaans
Zelfstandig naamwoord
wonder
Engels
Werkwoord
wonder
- (overgankelijk) verbazen.
- «The gymnast wondered the crowd with her flexibility and agility.»
- De gymnast verbaasde de menigte met haar lenigheid en behendigheid.
- «The gymnast wondered the crowd with her flexibility and agility.»
- (onovergankelijk) ~ whether/if/about: zich afvragen.
- «I wonder whether it is possible to find an easy and effective solution.»
- I vraag me af of het mogelijk is een gemakkelijke en doeltreffende oplossing te vinden.
- «I wonder whether it is possible to find an easy and effective solution.»
Zelfstandig naamwoord
wonder