adapter

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • adap·ter
enkelvoud meervoud
naamwoord adapter adapters
verkleinwoord adaptertje adaptertjes

Zelfstandig naamwoord

adapter v/m

  1. (elektrotechniek) een apparaat om elektrische wisselspanning om te vormen naar gelijkspanning van een meestal lager voltage
  2. (elektrotechniek) een universele plug die op verschillende types stopcontact past
  3. (techniek) aanpassing tussen twee afwijkende aansluitingen


Meer informatie


Frans

Uitspraak
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
adapter
/adapte/
adaptais
/adaptɛ/
adapté
/adapte/
eerste groep volledig

Werkwoord

adapter

  1. bewerken, aanpassen, adapteren
  2. aansluiten, bevestigen.