krijger
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- krij·ger
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | krijger | krijgers |
| verkleinwoord | krijgertje | krijgertjes |
Zelfstandig naamwoord
krijger m
- iemand die zich toelegt op het voeren van oorlog, met name tussen stammen
- De krijgers van de Lakota, Cheyenne en Arapho brachten Custer een gevoelige nederlaag toe.