kader
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ka·der
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kader | kaders |
| verkleinwoord | kadertje | kadertjes |
Zelfstandig naamwoord
kader o
- rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
- Die prent behoeft geen kader.
- (figuurlijk): situationele context, raamwerk, verband
- In het kader van de bezuinigingen wordt de uitgave met de helft verminderd.
- (bedrijfskunde) (meervoud) geschoolde medewerkers in een organisatie
- De vakbond heeft meer kaders nodig.
Synoniemen
Hyperoniemen
- [3] personeel
Vertalingen
2. situationele context, raamwerk, verband
Meer informatie
- Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.