lever

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·ver
enkelvoud meervoud
naamwoord lever levers
verkleinwoord levertje levertjes

Zelfstandig naamwoord

lever v/m

  1. (anatomie) een bruinkleurig orgaan dat gal produceert
Overerving en ontlening
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
leveren

lever

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van leveren
    Ik lever.
  2. gebiedende wijs van leveren
    Lever!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van leveren
    Lever je?


Deens

Uitspraak
  • IPA: /levər/, /lewˀɐ/
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse lifr
Naar frequentie 596
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   lever     leveren     levere     leverne  
genitief   levers     leverens     leveres     levernes  

Zelfstandig naamwoord

lever, g

  1. lever


Engels

Uitspraak
  • VK
    • IPA: /ˈliː.və/, /ˈlɛ.və/
  • VS
    • IPA: /ˈli.vɚ/, /ˈlɛ.vɚ/
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudfranse leveor

Zelfstandig naamwoord

lever

  1. hefboom


Frans

stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
lever
levais
levé
eerste groep volledig

Werkwoord

lever

  1. (overgankelijk) opheffen, oplichten
  2. (wederkerend) se lever: opstaan


Indonesisch

Woordafbreking
  • le·ver
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

lever

  1. (anatomie) lever
Synoniemen

Werkwoord

lever

  1. leveren
Synoniemen


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·ver

Werkwoord

lever

  1. tegenwoordige tijd actief van leva
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   lever     levern     levrar     levrarna  
genitief   levers     leverns     levrars     levrarnas  

Zelfstandig naamwoord

lever, g

  1. (anatomie) lever