veer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Een veer.
[2] Een veer.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • veer
Woordherkomst en -opbouw
  • [1,2] Samentrekking van veder.
1., 2. enkelvoud meervoud
naamwoord veer veren
verkleinwoord veertje veertjes
3. enkelvoud meervoud
naamwoord veer veren
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

veer

  1. v/m lichaamsbedekking van een vogel
    • Vogels in de rui verliezen hun veren. 
  2. v/m mechaniche tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
    • Het veertje was gebroken en dit bracht het uurwerk tot stilstand. 
  3. o: boot of schip toegewijd aan het onderhouden van een regelmatige verbinding over een rivier of een ander water
    • Het veer tussen Perkpolder en Kruiningen is uit de vaart genomen. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
veren

veer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van veren
    • Ik veer. 
  2. gebiedende wijs van veren
    • Veer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van veren
    • Veer je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord veer vere

Zelfstandig naamwoord

  1. veer


Limburgs

Telwoord (lim)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027
Uitspraak
  • IPA: /veːɐ/ (Etsbergs)

Hoofdtelwoord

veer

  1. vier
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

veer v

  1. vier
Verbuiging