Naar inhoud springen

veer

Uit WikiWoordenboek
  • veer
A enkelvoud meervoud
naamwoord veer veren
verkleinwoord veertje veertjes

[A] de veer v / m

  1. (zoötomie) lichaamsbedekking van een vogel
    • Vogels in de rui verliezen hun veren. 
    ▸ Liza nam de hoed en de veer en probeerde die onhandig weer te bevestigen.[7]
    ▸ Ik had er geen andere verklaring voor dan het sullige idee dat daar, die dag in de sneeuw, in me opkwam: dat het verliezen van de stuiver op dezelfde manier een symbool van voorspoed was als de zwarte veer krijgen een symbool was voor de leegte.[8]
  2. (werktuigbouwkunde) mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
    • Het veertje was gebroken en dit bracht het uurwerk tot stilstand. 
    ▸ Ik knielde ervoor neer, stak de sleutel in het slot en voelde onder het draaien hoe ergens diep in het binnenwerk een veer versprong.[7]
2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
vervoeging van
veren

[A] veer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van veren
    • Ik veer. 
  2. gebiedende wijs van veren
    • Veer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van veren
    • Veer je? 
    ▸ Ik veer op en glimlach terug.[9]
B enkelvoud meervoud
naamwoord veer veren
verkleinwoord - -

[B] het veer o

  1. (scheepvaart) boot of schip toegewijd aan het onderhouden van een regelmatige verbinding over een rivier of een ander water
    • Het veer tussen Perkpolder en Kruiningen is uit de vaart genomen. 
    ▸ Bij het veer van Bergstoep bleek er echter geen materieel te zijn om naar de andere kant van de Lek te komen.[10]
    ▸ Tenslotte vraagt hij me waar ik terechtkom als ik het Papendrechtse veer over ga.[10]
  2. (bedrijf) dienstverlening die mensen en hun vervoermiddelen naar de overkant van een rivier of ander water brengt
  3. (aardrijkskunde) plaats waar men over een rivier of andere watervlakte kan worden overgezet
    • Toen de brug vernield was, moest men zich met een veer behelpen 
    • Hij toog over het veer van de Jabbok (Gen. 32 : 22) 
1. boot of schip toegewijd aan het onderhouden van een regelmatige verbinding over een rivier of een ander water
1. boot of schip toegewijd aan het onderhouden van een regelmatige verbinding over een rivier of een ander water
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[11]

veer

  1. vier; het getal tussen de drie en de vijf, in Arabische cijfers 4, in Romeinse cijfers IV
enkelvoud meervoud
naamwoord veer vere
  • veer
  • Afgeleid van het Nederlandse veer
  1. (zoötomie) veer; lichaamsbedekking van een vogel
  2. veer; mechaniche tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
  3. (scheepvaart) veer; boot of schip toegewijd aan het onderhouden van een regelmatige verbinding over een rivier of een ander water
enkelvoud meervoud
veer veers

veer

  1. koerswijziging
vervoeging
onbepaalde wijs to  veer 
he/she/it  veers 
verleden tijd  veered 
voltooid
deelwoord
 veered 
onvoltooid
deelwoord
 veering 
gebiedende wijs  veer 

veer

  1. onovergankelijk van koers/richting veranderen
  2. onovergankelijk, (scheepvaart) halzen [3]
  3. overgankelijk van koers/richting doen veranderen
Telwoord (lim)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027
  • IPA: /veːɐ/ (Etsbergs)

veer

  1. vier

veer v

  1. vier

veer

  1. wij, we
    «Veer motte gaon.»
    Wij moeten gaan.

veer

  1. vier; het getal tussen de drie en de vijf, in Arabische cijfers 4, in Romeinse cijfers IV

veer

  1. vier; het getal tussen de drie en de vijf, in Arabische cijfers 4, in Romeinse cijfers IV

veer

  1. (Münsterlands), (Zuidwestfaals) vier; het getal tussen de drie en de vijf, in Arabische cijfers 4, in Romeinse cijfers IV