pluim

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een pluim.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pluim
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pluim pluimen
verkleinwoord pluimpje pluimpjes

Zelfstandig naamwoord

pluim v/m

  1. een veer
    Hij heeft een pluim op zijn hoed.
  2. een compliment
    Ik gaf hem een pluim voor al zijn werk.
  3. (biologie) een bepaalde bloeiwijze
    Deze plant heeft pluimen in het voorjaar.
  4. (badminton) (vlaams) andere naam voor badmintonshuttle
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
pluimen

pluim

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pluimen
    Ik pluim.
  2. gebiedende wijs van pluimen
    Pluim!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pluimen
    Pluim je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl