veren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
veren verend
vering geveerd


Woordafbreking
  • ve·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
veren
veerde
geveerd
zwak -d volledig

Werkwoord

veren

  1. absoluut schokken opvangen
    • Mijn voorvork veerde op een gegeven moment niet meer, die moet dus op wat kortere termijn vervangen worden. 
Afgeleide begrippen
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

veren

  1. met veren (lichaamsbedekking van een vogel) vervaardigd

Zelfstandig naamwoord

veren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord veer

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Turks

Zelfstandig naamwoord

veren

  1. gever, schenker