Naar inhoud springen

veren

Uit WikiWoordenboek
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
verenverend
veringgeveerd
  • ve·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
veren
veerde
geveerd
zwak -d volledig

veren

  1. absoluut schokken opvangen
    • Mijn voorvork veerde op een gegeven moment niet meer, die moet dus op wat kortere termijn vervangen worden. 
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen

veren

  1. met veren (lichaamsbedekking van een vogel) vervaardigd

deverenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord veer
     Isaac trok een kip uit de tas, haar losse veren dwarrelden op de grond en haar schilferige poten bungelden grappig in de lucht.[1]
     Pibo heeft uit angst zijn veren opgezet.[2]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[3]
  1. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

veren

  1. gever, schenker