boekenvak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boe·ken·vak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boekenvak boekenvakken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

boekenvak o

  1. (economie) alles en iedereen dat met het maken en verkopen van boeken te maken heeft
    • In dat jaar werden er volgens de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak 39 miljoen boeken verkocht, inclusief elektronische boeken. Ook in de bieb kunnen niet alleen papieren boeken geleend worden, maar ook deze e-boeken. De digitale boeken kunnen worden gedownload op een e-reader. Dat deden in 2015 234.000 mensen. De digitale boeken werden 4 miljoen keer uitgeleend. [1] 
    • Digitale innovatie is dit jaar het leidende thema op de Frankfurter Buchmesse. 's Werelds grootste boekenbeurs opende dinsdag de deuren voor 7.300 deelnemers (uitgevers, auteurs en agenten) uit honderd landen waar zij tot en met zondag de nieuwste titels en trends in het boekenvak presenteren. [2] 
    • Bij boekhandel Broekhuis waren de druiven zuur. Erik Hoekstra: „We werden tien dagen geleden gebeld over een tussentijdse aanbieding. Details konden niet worden gegeven, alleen de oplage werd genoemd en dat het boek veel zou losmaken. De naam was Project X.” Hoekstra kon hooguit gissen naar het onderwerp. Een explosieve biografie van prins Bernhard bijvoorbeeld? Volgens de normale procedure zette hij bestellingen ‘in nota’. „Natuurlijk koop ik zo’n boek meteen in.” Hij kent de reputatie van uitgever Oscar van Gelderen. Niemand in het boekenvak kan zo’n publicitaire reuring rond een boek veroorzaken als hij. Het zou een knaller worden. [3] 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Verwijzingen