vakidioot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vak·idi·oot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vakidioot vakidioten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vakidioot m

  1. (pejoratief) iemand heel goed is in zijn eigen kleine specialisme, dat vakgebied overdreven belangrijk vindt en geen belangstelling heeft in zaken die buiten zijn vak liggen
    • Ontwerpen, desnoods ongevraagd, zoals voor het stuk bouwgrond naast hun villa. Stedenbouwkundige opdrachten superviseren. Jureren in wedstrijden. ‘Ik zal altijd die vakidioot zijn. Het gedoe errond – ja, ik lees elke dag twee gazetten – heeft me nooit geïnteresseerd.[2] 
    • Dollekamp: „Je moet wel een beetje vakidioot zijn om je te storten op restauratie of herbestemming.” En Heuker of Hoek: „Het is de toekomst. En dat ze dat nu nog niet zien zitten, is denk ik een stukje jeugdigheid. Dat komt nog wel.”[3] 
    • Daarnaast is een leraar een vakidioot. Gepassioneerd en gedreven om het belang en de lol van zijn vak maar vooral de lol van het inzichten verkrijgen en het wijzer worden wil overbrengen. Dat alles heeft prioriteit boven actievoeren en al helemaal het laten uitvallen van lessen.[4] 
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. vakidioot op website: Etymologiebank.nl
  2. de Standaard ZATERDAG 9 DECEMBER 2017
  3. Tubantia 06-MAART-2014
  4. Volkskrant 6 juni 2017