vakgenoot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vak·ge·noot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vakgenoot vakgenoten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vakgenoot m [1]

  1. iemand die hetzelfde beroep uitoefent
    • Toen hij zondag wél won, pakte de acteur zijn kans om jonge vakgenoten advies te geven. Hij raadde ze aan het niet voor het geld te doen, of voor de roem. „De liefde voor het vak, die moet je in leven houden. Dat is wat je blijft motiveren.”[2] 
    • De gezamenlijke publicatie van de groep dermatologen van de Erasmus MC-polikliniek voor complicaties met fillers is bedoeld als waarschuwing en ter lering aan vakgenoten. Daaruit blijkt dat er nog geen afdoende behandeling bestaat voor het opheffen van plotseling gezichtsverlies dan wel blindheid bij een cosmetische behandeling met fillers. Wel is bekend dat dergelijk verlies van zicht na negentig minuten onomkeerbaar is.[3] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 22 jan. 2018
  3. de Telegraaf RENÉ STEENHORST 12 dec. 2017
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be