Naar inhoud springen

subject

Uit WikiWoordenboek
  • sub·ject
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘onderwerp’ voor het eerst aangetroffen in 1671 [1]
  • afgeleid van het Latijnse 'jacere' (werpen) met het voorvoegsel sub- [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord subject subjecten
verkleinwoord - -

hetsubjecto

  1. (taalkunde) onderwerp [2] van een zin
     Het predikaat is het gedeelte van een zin dat niet het subject is.[3]
  2. (filosofie) het denkende en beschouwende ik, tegenover het niet-ik ofwel het object
     Ze wil niet makkelijk scoren met referenties naar populaire cultuur, ze is juist op zoek naar het onderliggende element van de referentie naar de film en wil haar subject daarvan isoleren.[4]
     Zodoende: is de in deze aanschouwing betrokkene ook geen individu meer, want het individu heeft zich in een dergelijke aanschouwing verloren: het is nu een zuiver willoos, pijnloos, tijdloos subject van het kennen.[5]
stellend
onverbogen subject
verbogen subjecte
partitief subjects

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als bijvoeglijk naamwoord

subject

  1. onderworpen aan, onderhevig aan
98 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]
  1. "subject" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. subject op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 12 oktober 2018 Weblink bron “Inleiding Nederlandse Taalkunde: Syntax - Woordvolgorde”, University College London
  4. Johan Harstad
    “Max, Mischa & het Tet-offensief” (2017), Podium (uitgeverij), ISBN 9789057598500
  5. Paul van Tongeren
    “Nietzsche” (2020), Amsterdam University Press op Wikipedia, ISBN 9789048529407
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
enkelvoud meervoud
subject subjects

subject

  1. onderwerp [1], thema
  2. (persoon) onderdaan, ondergeschikte
  3. (grammatica) onderwerp [2]
  4. (onderwijs) vak, schoolvak, leervak
  5. (medisch)  patiënt zn 
  6. (medisch) proefpersoon
  7. (medisch), (dierkunde) proefdier
  8. (pejoratief)  sujet zn 
vervoeging
onbepaalde wijs to  subject 
he/she/it  subjects 
verleden tijd  subjected 
voltooid
deelwoord
 subjected 
onvoltooid
deelwoord
 subjecting 
gebiedende wijs  subject 

subject

  1. overgankelijk blootstellen, doen ondergaan
  2. overgankelijk  onderwerpen ww 
stellend vergrotend overtreffend
subjectmore subjectmost subject

subject

  1. ~ to onderhevig/onderworpen aan, blootgesteld aan