subject

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sub·ject
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord subject subjecten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

subject o

  1. (taalkunde) onderwerp van een zin (zaak waarmee men zich bezighoudt)
  2. (filosofie) het denkende en beschouwende ik, tegenover het niet-ik ofwel het object
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie. (als bijvoeglijk naamwoord)

stellend
onverbogen subject
verbogen subjecte

Bijvoeglijk naamwoord

subject

  1. onderworpen aan, onderhevig aan
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
subject subjects

Zelfstandig naamwoord

subject

  1. onderwerp
  2. vak, schoolvak, leervak