modevak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·de·vak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord modevak modevakken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

modevak o [1]

  1. alles wat te maken heeft met de productie van hippe kleding en schoeisel
    • Daarom zegt Edelkoort dat ze het in de toekomst niet meer zal hebben over ‘de mode’, wel over ‘het kledingstuk’. ‘De kledingstukken zullen het antwoord zijn op het ontregelde fashion systeem. Een trend analyseren en conceptualiseren zal niet meer van belang zijn, tenzij men het doet vanuit een antropologisch en humanistisch oogpunt, tenzij men terugkeert naar de basisbeginselen van het ‘modevak’ met zijn nobele belangstelling voor stof en ‘snit’ zoals we zagen vóórdat de prêt-à-porter - de confectie - uitgevonden werd.’ [2] 
    • "Voor het modevak beschik ik over een ideale naam. Toch weet ik nu al dat ik hier nooit mijn beroep van zal maken. Deze show is een eindpunt. Mijn grote droom is om ooit een Engelstalige boekwinkel te beginnen met van die Chesterfield-banken en veel typisch Engelse dingen, uiteraard door mijzelf ontworpen. [3] 
    • Het Franse kindermerk CdeC werd in 2006 opgericht door Cordelia de Catellane, zelf moeder van vier kinderen. Zij leerde de kneepjes van het modevak bij Emanuel Ungaro, maar eens moeder begon ze zich toe te leggen op een eigen kinderlijn. [4] 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen