studievak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stu·die·vak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord studievak studievakken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

studievak o [1]

  1. (onderwijs) een van de zaken waarin men onderwijs krijgt op school of universiteit; deel van een opleiding
    • “We hadden, net als veel mensen denk ik, het gevoel dat we iets voor de wereld wilden doen”, blikt De Vries terug. ”Maar we wisten niet zo goed wat. Tot ik via een studievak over dumpster diven hoorde - weggegooid eten verzamelen - en we dat zijn gaan doen. Na een middagje struinen over de markt en bij de afvalbakken van supermarkten hadden we zoveel eetbaars gevonden dat we hebben kunnen koken voor de hele klas.”[2] 
  2. een theoretisch schoolvak
    • Naast de studievakken volgen alle leerlingen praktijkvakken in de sectoren zorg en welzijn, techniek, groen en economie (horeca). Er wordt gewerkt aan het beheersen van leer-, organisatorische en sociale vaardigheden.[3] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf SOPHIE ZIMMERMAN 28 feb. 2014
  3. Tubantia 09-JU-2013