buisvak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buis·vak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buisvak buisvakken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

buisvak o

  1. een studievak of schoolvak waarvoor veel studenten een onvoldoende halen
    • Italiaanse grammatica was bij ons het buisvak bij uitstek. Tot 70 procent van de studenten zakten voor het mondeling examen. Toen ik er binnenkwam zei de prof tegen mij: ‘Wij gaan wat over voetbal praten!’ Ik ben op dat examen buitengegaan met een 19 op 20 en ben later nog peter geworden van de zoon van die professor. Hij is nu nog steeds een goede vriend. [1] 
    • ‘Er zijn soepelere en strengere professoren. Meestal gaat het echter om vakken die niet onmiddellijk bij een opleiding aansluiten: statistiek in een humane opleiding, bijvoorbeeld. Omdat het daar doorgaans niet wemelt van de wiskundeknobbels, wordt dat al snel gezien als een buisvak. Maar als de grote meerderheid slaagt, kan de prof meestal makkelijk aantonen dat een student niet voldoet aan de eisen.’ [2] 
    • Die worden onderwezen in de meest uiteenlopende vakken: navigatie, wiskunde, maritiem Engels, kaart lezen, koers bepalen, instrumenten bedienen … “Het buisvak bij uitstek is meteorologie, het voorspellen van het weer”, lacht Mark Simons. [3] 

Gangbaarheid

44 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. De Standaard 01/06/2011 door rvs De studententijd van tv-presentator Filip Joos
  2. De Standaard 24/06/2012 om 05:00 door idl Gebuisd? Ga in beroep!
  3. De Standaard 16/10/2014 door (sjv) Het Maritieme Opleidingscentrum: hard werken voor een ‘chic hemd met strepen’