vakmens

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vak·mens
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vakmens vakmensen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vakmens m [1]

  1. iemand die een beroep heeft geleerd; iemand die een vak beheerst
    • Het bedrijf heeft zo’n 50 medewerkers en het bbl-traject is een onmisbare schakel om de instroom te bevorderen. ,,Er is al sprake van een enorm tekort aan vakmensen”, zegt directeur Mark Meijers. ,,We proberen onze werknemers daarom zo veel mogelijk te behouden, maar dat lukt niet altijd.” [2] 
    • Laten we de verantwoordelijken zoeken bij de besturen die in derivaten handelden en zich vooral bezighielden met nieuwbouw, oftewel overhead en blabla, het afschaffen van financiering en in de breedte spugen op vakmensen want Nederland moest een kenniseconomie worden. De kabinetten-Rutte hebben volop meegedaan aan de afbraak en nu wordt de waarheid verdraaid. [3] 
    • Artsen, verpleegkundigen, onderwijzers, politieagenten en alle andere vakmensen hebben een vak geleerd met een moraal. Kinderen helpen bij hun ontwikkeling, mensen beter maken, iets doen waar de samenleving veiliger of beter van wordt. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen