bijvak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·vak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bijvak bijvakken
verkleinwoord bijvakje bijvakjes

Zelfstandig naamwoord

bijvak o [1]

  1. vak dat van minder groot belang is als het hoofdvak
    • „Ik was gefascineerd door het idee van de gefixeerde blik. Volgens wetenschappers kunnen pasgeboren baby’s nog nauwelijks iets zien, maar ik weet zeker dat mijn dochter me zag zodra ze haar ogen opende. Haar pupillen volgden de bewegingen van mijn hoofd. Andere diersoorten doen het ook, baby-geitjes bijvoorbeeld. En chimpansees. De meeste wetenschappers zijn geïnteresseerd in het neurologische aspect van kijken. Voor mij is die optische fascinatie meer een hobby, een bijvak bij de kunstgeschiedenis. In mijn boek beschrijf ik wat het precies betekent om voor een portret te staan en de illusie te voelen van een aanwezigheid. Dat gevoel, dat de ogen van de geportretteerden je volgen in de ruimte, is een fantoomfenomeen waar een neurologische oorzaak aan ten grondslag ligt. Je denkt dat je blikken uitwisselt met het portret, terwijl er natuurlijk geen echte uitwisseling is.[2] 
    • Koning Willem-Alexander vertelde de journalisten dat het goed gaat met de prinsesjes. Ze zijn alledrie over naar de volgende klas. Prinses Amalia gaat volgend jaar Chinees volgen als bijvak.[3]  
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Sandra Smallenburg 18 november 2016
  3. NRC 9 juli 2016
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be