rijvak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Vier rijvakken voor een verkeerslicht.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rij·vak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rijvak rijvakken
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

rijvak o

  1. met strepen op het wegdek afgebakend deel van een weg waarop auto's achter elkaar rijden
    • Een van de rijbanen is beschadigd door een bominslag zodat alle verkeer over een rijvak moet.  [1]
Synoniemen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen