meespelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mee·spe·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
meespelen
speelde mee
meegespeeld
zwak -d volledig

Werkwoord

meespelen

  1. inergatief deelnemen aan een spel of wedstrijd
    • De topscorer kon die wedstrijd wegens een blessure niet meespelen. 
  2. absoluut mede een rol spelen in de gebeurtenissen
    • Er speelde mee dat men angst had voor een inval van het buurland. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.