afspelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·spe·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afspelen
speelde af
afgespeeld
zwak -d volledig

Werkwoord

afspelen

  1. overgankelijk opgenomen geluids- of beeldmateriaal opnieuw laten horen of zien
    • Hij speelde een hele mooie CD voor ons af. 
  2. overgankelijk tot het einde toe spelen
    • Dat muziekstuk werd niet tot het einde toe afgespeeld. 
  3. overgankelijk iets door veelvuldig bespelen bederven en onbruikbaar maken
    • Die piano was door het vele gebruik helemaal afgespeeld. 
  4. wederkerend zich ~: gebeuren
    • Dit verhaal speelde zich in de negentiende eeuw af. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.