onschuld

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·schuld
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van schuld met het voorvoegsel on-
enkelvoud meervoud
naamwoord onschuld -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

onschuld v/m

  1. de staat dat iemand geen kwaad gedaan heeft
    • Hij was de hele tijd zijn handen in onschuld aan het wassen. 
  2. argeloosheid.
    • Wat een kinderlijke onschuld, zeg! 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.