overrijden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

overríjden
óverrijden
Woordafbreking
  • over·rij·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overrijden
overreed
overreden
klasse 1 volledig

Werkwoord

overríjden

  1. overgankelijk met de wielen van een voertuig over iets of iemand heen rijden.
    • De advocate voerde ook medische redenen aan om het gezin niet terug te sturen. De oudste dochter van 8 jaar werd twee jaar geleden overreden door een vrachtwagen en heeft nog steeds last hiervan. [1] 
    • Ons hondje werd vorige week overreden. 
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overrijden
reed over
overgereden
klasse 1 volledig

Werkwoord

óverrijden

  1. ergatief een brug of grens rijdend passeren.
    • We waren de brug nog maar net overgereden toen we een lekke band kregen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Reformatorisch Dagblad 21-1-2019 Advocate: Armeens gezin uitgezet
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be