rijpaard

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rij·paard
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rijpaard rijpaarden
verkleinwoord rijpaardje rijpaardjes

Zelfstandig naamwoord

rijpaard o

  1. (paardrijden) een paard dat geschikt is om bereden te worden
    • Hij runt een handelsstal voor rijpaarden. 
Synoniemen
Antoniemen
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be