inrijden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·rij·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inrijden
reed in
ingereden
klasse 1 volledig

Werkwoord

inrijden

  1. overgankelijk rijdend ingaan, binnenkomen
    • Veel weggebruikers schrikken wanneer ze een tunnel inrijden en remmen als gevolg daarvan af. 
    • Het is al bijna donker wanneer we de stad inrijden. 
  2. overgankelijk voorzichtig rijden met iets en het zo geschikt maken voor gebruik
    • De importeur rijdt de motoren eerst in. 
  3. overgankelijk ~ op: expres aanrijden
    • Toen de agent de man wilde aanhouden, reed de man op de agent in. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.