reed

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • reed

Werkwoord

vervoeging van
rijden

reed

  1. enkelvoud verleden tijd van rijden
    • Ik reed. 
    • Jij reed. 
    • Hij, zij, het reed. 
vervoeging van
reden

reed

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van reden
    • Ik reed. 
  2. gebiedende wijs van reden
    • Reed! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van reden
    • Reed je? 

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders
83 % van de Vlamingen.