Naar inhoud springen

reed

Uit WikiWoordenboek
  • reed
vervoeging van
rijden

reed

  1. enkelvoud verleden tijd van rijden
    • Ik reed. 
    • Jij reed. 
    • Hij, zij, het reed. 
vervoeging van
reden

reed

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van reden
    • Ik reed. 
  2. gebiedende wijs van reden
    • Reed! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van reden
    • Reed je? 
     Echte tokkies.’ Ze keek me boos aan en reed weer weg.[1]
     'Ik reed er nauwelijks mee,' zei hij, maar hij klonk weemoedig'.[2]
     Na zijn telefoontje reed ik naar het notariskantoor in Gulpen, waar ik het rapport van Omer ophaalde.[3]
82 %van de Nederlanders;
80 %van de Vlamingen.[4]
  1. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  3. “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


  • reed
enkelvoud meervoud
reed reeds

reed

  1. (plantkunde)  riet zn  [1], rietplant
  2. (muziek)  riet zn  [2]
  3. (muziekinstrument) rietfluit
  4. (verouderd)  pijl zn 
vervoeging
onbepaalde wijs to  reed 
he/she/it  reeds 
verleden tijd  reeded 
voltooid
deelwoord
 reeded 
onvoltooid
deelwoord
 reeding 
gebiedende wijs  reed 

reed

  1. overgankelijk met  riet zn  [1] afdekken/bedekken
  2. overgankelijk, (muziekinstrument) een blaasinstrument voorzien van  riet zn  [2]