rijinstructeur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rij·in·struc·teur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rijinstructeur rijinstructeurs
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

rijinstructeur m

  1. (beroep) iemand die voor zijn beroep mensen praktijklessen geeft in het besturen van een motorvoertuig zoals een auto, motor of vrachtwagen
    • ‘U stopt in feite met rijden’, zei de rijinstructeur, ook al gingen we nog steeds vooruit. ‘Zodra u begint te sms’en, zie ik u niet meer naar de zijspiegels kijken, of naar een straat rechts.’ [2] 
    • "Hoe houden jullie de mensen hier lang genoeg van de drank af, zodat ze slagen voor hun rijexamen?" Tegen een Schotse rijinstructeur. [3] 
Opmerkingen
  • Als het nodig is om verwarring over de opbouw van het woord te voorkomen, kan volgens de toelichting bij spellingregel 6.C ook de schrijfwijze met een koppelteken worden gebruikt: rij-instructeur.
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 9 oktober 2017
  3. Tubantia 2 augustus 2017 citaat van Prins Philip