rijzadel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

rijzadel
Uitspraak
Woordafbreking
  • rij·za·del
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rijzadel rijzadels
verkleinwoord rijzadeltje rijzadeltjes

Zelfstandig naamwoord

rijzadel o [1]

  1. zadel dat nodig is voor het berijden van een rijdier zoals paard, ezel, kameel of dromedaris
    • Aan boord bevonden zich 403 dromedarissen, evenveel rijzadels die naar specifieke instructie van Hagenbeck waren vervaardigd, en Arabische verzorgers die de dieren het eerste jaar in de Afrikaanse woestijn zouden begeleiden. [2] 
    • Voor de 44-jarige springruiter uit Someren, die te boek staat als een stylist pur sang, is het de zoveelste maal dat hij de top nadert. Voorn kan terugzien op een bewogen carrière. De ene keer werden de paarden onder zijn rijzadel vandaan verkocht, de andere keer werd hij ruiter te voet, omdat hij weer eens op ongezouten wijze de dochter van de eigenaresse van een van zijn paarden duidelijk had gemaakt dat op een paard zitten nog geen paardrijden is. [3] 
    • Uit een tent aan stoeterij Zangersheide in Lanaken zijn in de nacht van woensdag op donderdag meerdere rijzadels voor paarden gestolen met een waarde van om en bij de 40.000 euro. [4] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen