rijbewijs

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rij·be·wijs
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rijbewijs rijbewijzen
verkleinwoord rijbewijsje rijbewijsjes

Zelfstandig naamwoord

rijbewijs o

  1. (verkeer) een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen
    • Hij geeft gisteren zijn rijbewijs gehaald. 
Synoniemen
  • roze briefje
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie