rijden/vervoeging
Naar navigatie springen
Naar zoeken springen
Nederlands[bewerken]
ergatief: in een richting bewegen[bewerken]
| vervoeging van de bedrijvende vorm van rijden | |||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | rijden | te rijden | ||||||
| toekomend | zullen rijden | te zullen rijden | |||||||
| voltooid | tegenwoordig | zijn gereden | te zijn gereden | ||||||
| toekomend | gereden zullen zijn | gereden te zullen zijn | |||||||
| onvoltooid deelwoord | voltooid deelwoord | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||
| rijdend | gereden | ev. rijd / rij |
mv. verouderd rijdt |
rijde | |||||
| aantonende wijs | enkelvoud | meervoud | |||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||
| ik | jij, je | u | gij, ge | hij, zij, het | wij, we | jullie | zij, ze | ||
| tegenwoordig (o.t.t.) | rijd / rij | rijdt | rijdt | rijdt | rijdt | rijden | rijden | rijden | |
| verleden (o.v.t.) | reed | reed | reed | reedt | reed | reden | reden | reden | |
| toekomend (o.t.t.t.) | zal rijden | zult/zal rijden | zult/zal rijden | zult rijden | zal rijden | zullen rijden | zullen rijden | zullen rijden | |
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou rijden | zou rijden | zou(dt) rijden | zoudt rijden | zou rijden | zouden rijden | zouden rijden | zouden rijden | |
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||
| tegenwoordig (v.t.t.) | ben gereden | bent gereden | bent/is gereden | zijt gereden | is gereden | zijn gereden | zijn gereden | zijn gereden | |
| verleden (v.v.t.) | was gereden | was gereden | was gereden | waart gereden | was gereden | waren gereden | waren gereden | waren gereden | |
| toekomend (v.t.t.t.) | zal gereden zijn | zal/zult gereden zijn | zult/zal gereden zijn | zult gereden zijn | zal gereden zijn | zullen gereden zijn | zullen gereden zijn | zullen gereden zijn | |
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou gereden zijn | zou gereden zijn | zou/zoudt gereden zijn | zoudt gereden zijn | zou gereden zijn | zouden gereden zijn | zouden gereden zijn | zouden gereden zijn | |
overgankelijk: als activiteit[bewerken]
| vervoeging van de bedrijvende vorm van rijden | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | rijden | te rijden | ||||||||
| toekomend | zullen rijden | te zullen rijden | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | hebben gereden | te hebben gereden | ||||||||
| toekomend | gereden zullen hebben | gereden te zullen hebben | |||||||||
| onvoltooid deelwoord | voltooid deelwoord | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| rijdend | gereden | ev. rijd / rij |
mv. verouderd rijdt |
rijde | |||||||
| aantonende wijs | enkelvoud | meervoud | |||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij, ge | hij, zij, het | wij, we | jullie | zij, ze | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | rijd / rij | rijdt | rijdt | rijdt | rijdt | rijden | rijden | rijden | |||
| verleden (o.v.t.) | reed | reed | reed | reedt | reed | reden | reden | reden | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal rijden | zult/zal rijden | zult/zal rijden | zult rijden | zal rijden | zullen rijden | zullen rijden | zullen rijden | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou rijden | zou rijden | zou(dt) rijden | zoudt rijden | zou rijden | zouden rijden | zouden rijden | zouden rijden | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | heb gereden | hebt gereden | hebt/heeft gereden | hebt gereden | heeft gereden | hebben gereden | hebben gereden | hebben gereden | |||
| verleden (v.v.t.) | had gereden | had gereden | had gereden | hadt gereden | had gereden | hadden gereden | hadden gereden | hadden gereden | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal gereden hebben | zal/zult gereden hebben | zult/zal gereden hebben | zult gereden hebben | zal gereden hebben | zullen gereden hebben | zullen gereden hebben | zullen gereden hebben | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou gereden hebben | zou gereden hebben | zou/zoudt gereden hebben | zoudt gereden hebben | zou gereden hebben | zouden gereden hebben | zouden gereden hebben | zouden gereden hebben | |||
| onpersoonlijke lijdende vorm gereden worden | |||||||||||
| onvoltooid | voltooid | ||||||||||
| tegenwoordig | er wordt gereden | er is gereden | |||||||||
| verleden | er werd gereden | er was gereden | |||||||||
| toekomend | er zal gereden worden | er zal gereden zijn | |||||||||
| voorwaardelijk | er zou gereden worden | er zou gereden zijn | |||||||||
| lijdende vorm gereden worden | |||||||||||
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | gereden worden | gereden te worden | ||||||||
| toekomend | gereden zullen worden | gereden te zullen worden | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | gereden zijn | gereden te zijn | ||||||||
| toekomend | gereden zullen zijn | gereden te zullen zijn | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | ||||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | word gereden | wordt gereden | wordt gereden | wordt gereden | wordt gereden | worden gereden | worden gereden | worden gereden | |||
| verleden (o.v.t.) | werd gereden | werd gereden | werd gereden | werdt gereden | werd gereden | werden gereden | werden gereden | werden gereden | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal gereden worden | zult gereden worden | zult gereden worden | zult gereden worden | zal gereden worden | zullen gereden worden | zullen gereden worden | zullen gereden worden | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou gereden worden | zou gereden worden | zou/zoudt gereden worden | zoudt gereden worden | zou gereden worden | zouden gereden worden | zouden gereden worden | zouden gereden worden | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | ben gereden | bent gereden | bent/is gereden | zijt gereden | is gereden | zijn gereden | zijn gereden | zijn gereden | |||
| verleden (v.v.t.) | was gereden | was gereden | was gereden | waart gereden | was gereden | waren gereden | waren gereden | waren gereden | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal gereden zijn | zult gereden zijn | zult gereden zijn | zult gereden zijn | zal gereden zijn | zullen gereden zijn | zullen gereden zijn | zullen gereden zijn | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou gereden zijn | zou gereden zijn | zou/zoudt gereden zijn | zoudt gereden zijn | zou gereden zijn | zouden gereden zijn | zouden gereden zijn | zouden gereden zijn | |||