gezicht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

1hoofd, 2gezicht, 3hals, 4schouder, 5borst, 6buik, 7heup, 8onderbuik, 9penis, 10dijbeen, 11knie, 12been, 13enkel, 14voet, 15bovenarm, 16elleboog, 17onderarm, 18pols, 19hand
Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·zicht
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van zichten: de stam met omvoegsel ge- -t, zonder -t omdat de stam al op -t eindigt [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord gezicht gezichten
verkleinwoord gezichtje gezichtjes

Zelfstandig naamwoord

gezicht o

  1. (anatomie) de voorkant van een menselijk hoofd
    • De neus, de mond en de ogen zijn delen van het gezicht. 
  2. het vermogen om te kunnen te zien
    • Zijn gezicht ging achteruit en daarom moest hij een bril gaan dragen. 
  3. dat wat men ziet, een landschap
    • Van op die bergtop zie je een mooi gezicht. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: recht in het gezicht kijken
de ander aankijken, in de ogen kijken
  • [1]: recht in het gezicht zeggen
een mening openlijk aan een aanwezige meedelen
  • [2]: op het eerste gezicht
vluchtig bezien, oppervlakkig bekeken
  • [2]: het tweede gezicht
helderziendheid, voor anderen verborgen beelden kunnen zien
  • [3]: in het (ge)zicht komen
met het oog waarneembaar worden
  • [3]: een mooi gezicht
een gelaat met goede verhoudingen en regelmatige trekken
  • [3]: dat is geen gezicht
een onaangenaam tafereel
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zichten

gezicht

  1. voltooid deelwoord van zichten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen