vergezicht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ge·zicht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vergezicht vergezichten
verkleinwoord vergezichtje vergezichtjes

Zelfstandig naamwoord

vergezicht o

  1. een ver uitzicht, een panorama.
    • Vanaf de bergtop hadden we vergezicht over het omliggende landschap. 
     Dat kwam waarschijnlijk omdat je in de woestijn altijd alles om je heen kon zien, maar ook doordat ik uit het vlakke Nederland kom, waar ik gewend ben aan weidse landschappen met vergezichten en hoge luchten.[1]
  2. (figuurlijk) een wijde blik in de toekomst

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be